Wimar Bolhuis

Econoom, wetenschapper en publicist

Rutte III heeft spijt van het regeerakkoord

Zelden zie je een glimp van economische theorie zo duidelijk in de praktijk als bij deze Prinsjesdag. De gepresenteerde begrotingsplannen kunnen uitgelegd worden via één rode draad: politieke economie.

Volgens deze theorie kiezen politici hun acties enkel met het doel om verkiezingen te winnen. In 1957 schreef Anthony Downs hierover het bekende essay (pdf) ‘An Economic Theory of Political Action in a Democracy’. Zijn hypothese was dat ‘in een democratie, de regering zich altijd zo gedraagt om het aantal stemmen dat het krijgt bij de volgende verkiezingen te maximaliseren’.

In werkelijkheid is het een ondernemer die beleid verkoopt voor stemmen in plaats van producten voor geld. Het berekenende gedrag heeft volgens Downs wel perverse effecten. Omdat de regering electorale doelen nastreeft, wordt de sociale welvaart niet geoptimaliseerd.

Strategie om verkiezingen te winnen

In de politieke economie zijn er twee klassieke strategieën om verkiezingen te winnen. De eerste is het ‘Median Voter Theorem‘ (pdf). In de kern is het idee dat de politicus die beleid aanprijst dat het dichtst bij de mediane – ‘middelste’ – kiezer komt, altijd de campagne wint. De politicus krijgt hiermee immers de meerderheid van de kiezers achter zich. Hoewel het theorema uitgaat van tweepartijenstelsels als die in de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk, blijkt er ook in meerpartijenstelsels steun voor te zijn.

Niet voor niets staat de middenklasse in Nederland traditioneel in de campagnebelangstelling van de politieke partijen. De afgelopen maanden herleefde de aandacht voor deze ‘bedreigde diersoort’, al weet niemand precies hoe de groep eruitziet. In de Miljoenennota wordt de middenklasse ook lekker in het zonnetje gezet. De werkende middeninkomens zien een aanzienlijke koopkrachtstijging tegemoet: 2,4 procent. Gezinnen met kinderen ontvangen zelfs 2,6 procent. De niet-middenklasse, namelijk uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden hebben maar 1,2 procent en 1,1 procent in het vooruitzicht.

Sirenes van partijpolitiek

De tweede strategie is de ‘Political Business Cycle‘ (pdf) die William Nordhaus in 1975 bedacht. In de kern is het idee dat regeringen in opmaat naar verkiezingen altijd zullen kiezen om de economie via begrotingsbeleid te stimuleren, om de werkloosheid te laten dalen. Want een lagere werkloosheid zou zorgen voor een betere verkiezingsuitslag. Er zijn veel vraagtekens te plaatsen bij deze hypothese. Maar het concept van politieke conjunctuurgolven leidde er mede toe dat politici steeds meer onder curatele kwamen te staan, via begrotingsregels en doorrekeningen van experts. Zeker in Nederland, waar financieel-economische ambtenaren en het CPB een sterkere positie kregen.

Want een aanbeveling van Nordhaus was om ‘economisch beleid toe te vertrouwen aan personen die niet verleid worden door de sirenes van partijpolitiek’. Dit gebeurde al bij monetair beleid, dat uitgevoerd werd door onafhankelijke centrale banken. Het zou ook kunnen bij fiscaal beleid. Daarbij noteerde hij echter dat:

“Een vergelijkbare mogelijkheid is om begrotingsbeleid over te hevelen naar een ministerie van Financiën gedomineerd door ambtenaren. Echter, hier kan tegen ingebracht worden dat het overdragen van een verantwoordelijkheid naar een organisatie die niet politiek responsief is op legitieme behoeften, nog gevaarlijker is dan een paar cycli.”

Feestbegroting

Wat een actuele zinnen, gelet op de discussie over het publiekelijk loslaten van de ambtelijk bedachte Zalm-norm door de bewindspersonen van Rutte III bij deze Prinsjesdag. De kritiek is dat de politiek heeft besloten tot een ‘feestbegroting’, toevallig vóór het laatste volledige kalenderjaar voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2021.

Door beleidskeuzes stijgen in 2020 de uitgaven aan de publieke sector miljarden euro’s harder dan in het regeerakkoord staat, en de lasten voor gezinnen gaan miljarden euro’s verder omlaag. De apolitieke Raad van State waarschuwt braaf voor negatieve financiële consequenties van deze politieke keuzes. Maar de hoogste politieke baas, onze minister-president, stelt juist dat er grote problemen in de samenleving mee worden opgelost.

Geeft de regering toe aan de sirenes van de partijpolitiek of is men politiek responsief op legitieme behoeften? Het antwoord weten we niet. Het lijkt me een combinatie.

Eén ding bewijst deze Miljoenennota wel: Rutte III heeft spijt van het regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’. Hoewel het pas twee jaar geleden werd afgesloten, stelt de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie met deze begroting dat het regeerakkoord te sober was. Ondanks de langste formatieperiode sinds de Tweede Wereldoorlog, met de beste situatie van onze overheidsfinanciën voorhanden sinds de jaren 50, ziet de regering nu geen andere optie dan heel fors bijsturen.

Welke verkeerde inschattingen zijn er dan in die lange formatieperiode gemaakt? Dat is een overdenking waard. Voor de politiek en voor de ambtenarij.

«
»